top of page

Niemand kan zijn partner veranderen. (En helaas geldt dat ook voor jou.)

Waarom dat niet werkt en wat jij wél kunt doen

Vrouw kust kikker als symbool voor de hoop dat een partner vanzelf verandert


Kan je een partner veranderen?

Misschien herken je het.

Je bent al zo lang aan het wachten.

Wachten tot hij inziet wat zijn gedrag met jou doet.

Wachten tot zij eindelijk verantwoordelijkheid neemt.

Wachten tot er iets klikt, tot de relatie omslaat, tot de ander wordt wie jij al die tijd hoopte dat hij of zij kon zijn.


Die hoop is begrijpelijk. Ze is zelfs liefdevol. Maar ze kost je ook iets.

Ze houdt je gevangen in een positie waarin jouw toekomst afhankelijk is van wat een ander beslist te doen. En dat is precies de positie waar je uit wilt geraken.


Dit artikel gaat niet over opgeven. Het gaat over begrijpen hoe verandering echt werkt, en waarom de energie die jij nu investeert in de ander, misschien beter ergens anders terechtkomt.


Sprookjes hebben ons vroeg geleerd dat liefde transformeert.

De kikker wordt een prins zodra hij gekust wordt.

Het beest wordt een edelman zodra hij bemind wordt.

De verlaten vrouw wordt gered zodra de juiste persoon haar ziet.


Liefde, zo luidt de boodschap, is krachtig genoeg om iemand fundamenteel te veranderen.

Die boodschap is mooi. Ze is ook gevaarlijk.


Want sprookjes eindigen op het moment van de transformatie.

Ze tonen niet wat er daarna komt.

Ze stellen geen vragen over wie er besliste te veranderen, of de verandering van binnenuit kwam, of ze standhield wanneer het moeilijk werd. In een sprookje is liefde van de ander voldoende. In de werkelijkheid is dat nooit zo.


Toch dragen veel mensen die boodschap onbewust mee.

De overtuiging dat de juiste liefde, op de juiste manier gegeven, iemand zal doen veranderen. Dat geduld beloond wordt.

Dat volhouden zinvol is. Dat de prins er wél in zit, als je maar blijft kussen.


Onderzoek naar culturele scripts toont dat sprookjes en romantische verhalen verwachtingen over liefde en relaties vormen, soms op manieren die weinig aansluiten bij de realiteit van duurzame relaties (Hefner et al., 2017).


Wie diep gelooft in het transformerende vermogen van liefde, wacht langer, vergeeft meer en verliest zichzelf sneller.


Dat is geen zwakte. Het is een verhaal dat je heel je leven is verteld.

Maar het is tijd om een ander verhaal te lezen.



Helaas, niemand kan een ander veranderen. Jij niet. Ook ik niet.

Dat is één van de hardste waarheden in de psychologie, en tegelijk één van de meest bevrijdende.


Je kunt iemand liefhebben.

Je kunt grenzen stellen.

Je kunt de perfecte woorden vinden voor wat er misloopt.

Je kunt bewijzen dat je gelijk hebt.

Je kunt alles doen wat een redelijk mens kan doen om de ander wakker te schudden.

Je kunt uitleggen, confronteren, smeken, dreigen of vertrekken.


Maar je kunt niet in iemands binnenwereld kruipen en daar het stuur overnemen.

Je kunt m.a.w. je partner niet veranderen.


Verandering is geen knop die jij kunt indrukken bij de ander.


Ze is ook geen automatisch gevolg van inzicht, schaamte, spijt of een crisis.


Werkelijke en duurzame verandering vraagt iets wat alleen van binnenuit kan komen:

  • De bereidheid om naar zichzelf te kijken, ook naar de delen die niet fraai zijn.

  • De bereidheid om verantwoordelijkheid te nemen.

  • Om nieuw gedrag te oefenen.

  • Om terugval onder ogen te zien.

  • En dat lang genoeg vol te houden tot het nieuwe gedrag niet meer alleen een voornemen is, maar een nieuw en beter gedragspatroon.


Die bereidheid kan jij niet geven aan een ander. Je kunt hem hoogstens uitnodigen.



Vrije wil: het meest menselijke van alles

Er is een reden waarom verandering nooit van buitenaf kan worden opgelegd, en die reden is tegelijk een van de meest fundamentele eigenschappen die mensen in een beslissende mate onderscheidt van dieren: vrije wil.


Dieren handelen grotendeels vanuit instinct, aangeboren driften en directe prikkels uit de omgeving. Een mens kan dat ook.

Maar een mens kan ook stoppen. Nadenken. Kiezen. Verantwoordelijkheid nemen voor wat hij doet, ook wanneer zijn eerste impuls iets anders zegt. Dat vermogen noemen we de wet van de vrije wil: elk mens heeft de aangeboren capaciteit om zijn eigen handelen te sturen, te herzien en bij te sturen.


Dat vermogen is geen detail. Het is de kern van wat het betekent om een moreel wezen te zijn. En het heeft een directe consequentie die soms moeilijk te aanvaarden is: als iemand werkelijk vrij is om te kiezen, dan kan niemand anders die keuze maken in zijn plaats.


Vanuit humanistisch perspectief is dat geen beperking maar een waardigheid.

Elk mens draagt de verantwoordelijkheid voor zijn eigen keuzes, zijn eigen gedrag en zijn eigen veranderproces.

Niemand is louter slachtoffer van zijn verleden, zijn opvoeding of zijn omstandigheden.

Die dingen vormen mensen, soms ingrijpend, maar ze bepalen niet volledig wie iemand kiest te zijn.


Dat betekent ook dit: wanneer iemand jarenlang kwetsend, controlerend of onverantwoordelijk gedrag stelt en tegelijk de capaciteit heeft om het anders te doen, is er op een bepaald moment geen onwetendheid meer die dat verklaart. Er is een keuze.

Bewust of niet, er is een keuze.


En die keuze kan alleen die persoon zelf maken.



Waarom uitleggen zelden werkt

Veel mensen proberen verandering bij de ander te bewerkstelligen door uit te leggen, te overtuigen, te bewijzen of te herhalen. Dat is menselijk. Zeker wanneer het gedrag van de ander pijnlijk of schadelijk is, voelt stilzitten bijna ondraaglijk. En het is ook volkomen legitiem om te benoemen wat je kwetst, om grenzen te stellen en om te vragen dat iemand zijn gedrag verandert. Wie dat doet, "zaagt" niet. Wie dat doet, communiceert. Het probleem ligt niet bij degene die uitlegt.


Maar psychologisch gezien stuit die communicatie bij bepaalde mensen op een specifiek mechanisme, en het helpt om dat te begrijpen.

Wanneer mensen het gevoel krijgen dat hun vrijheid of zelfbeeld bedreigd wordt, kan psychologische reactantie ontstaan: een innerlijke drang om de bedreigde vrijheid te herstellen (Brehm, 1966).


Eenvoudig gezegd: hoe harder iemand het gevoel krijgt dat hij moet buigen of toegeven, hoe sterker hij soms in verzet gaat. Niet omdat de ander ongelijk heeft, maar omdat zijn psyche de boodschap ervaart als een aanval op zijn autonomie. Dat is geen reactie op hoe jij het zegt. Het is een reactie op het feit dát jij het zegt.


Je kent dat misschien. Je hebt een goed gesprek. Je legt rustig uit wat jou kwetst. En dan zie je hoe de ander niet luistert naar de inhoud, maar reageert op het gevoel aangesproken te worden. Het gesprek gaat niet meer over waarheid of herstel. Het gaat over gezichtsverlies, controle en zelfbescherming.

Dat is geen uitzonderlijke situatie. Dat is menselijke psychologie.

En het zegt niets over jou, maar alles over de bereidheid van de ander om zichzelf eerlijk onder ogen te komen.



Wat dan wél verandering in beweging zet

Onderzoekers Deci en Ryan ontwikkelden de Self-Determination Theory, een invloedrijke theorie over menselijke motivatie (Deci & Ryan, 2000). Ze maken een belangrijk onderscheid tussen twee soorten motivatie.


Gecontroleerde motivatie ontstaat wanneer iemand verandert onder druk: uit angst, schuld, schaamte of om straf te vermijden. Die verandering ziet er soms overtuigend uit, zeker in het begin. Maar ze is kwetsbaar. Zodra de druk wegvalt, verdwijnt ook het nieuwe gedrag.


Autonome motivatie ontstaat wanneer iemand zelf inziet dat verandering belangrijk is, en die verandering verbindt met eigen waarden, verantwoordelijkheid en toekomst. Onderzoek toont dat autonome motivatie doorgaans sterker samenhangt met volgehouden verandering dan verandering die door externe druk wordt opgelegd (Deci & Ryan, 2000).


Dat betekent niet dat een grens stellen of consequenties verbinden aan gedrag zinloos zijn. Soms is een heldere grens precies wat iemand dwingt om niet langer weg te kijken. Maar de grens creëert hoogstens een moment.

Daarna blijft de echte vraag: neemt deze persoon zelf verantwoordelijkheid, of probeert hij of zij vooral de gevolgen van zijn of haar gedrag te vermijden?

Jij kunt dat moment creëren. Je kunt het vervolg ervan op geen enkele manier sturen.



Zelfinzicht is een begin, geen eindpunt

Misschien zegt de ander in jouw leven dingen als: "Ik weet dat ik dat doe." Of: "Ik begrijp dat ik je daarmee kwets." Of: "Ik weet dat ik moet veranderen."

Dat klinkt hoopvol. En soms is het dat ook.


Maar onderzoek naar psychotherapie maakt duidelijk dat zelfinzicht weliswaar samenhangt met betere therapie-uitkomsten, maar op zichzelf onvoldoende is voor gedragsverandering (Jennissen et al., 2018).


Iemand kan perfect zeggen: "Ik controleer mijn partner te veel", "Ik vlucht weg wanneer het spannend wordt" of "Ik maak mezelf slachtoffer om geen verantwoordelijkheid te moeten nemen."

Dat kan oprecht zijn.

Het verklaart zelfs misschien veel.

Maar het verandert niets zolang dat inzicht niet gevolgd wordt door actie, oefening en volgehouden verantwoordelijkheid.

Inzicht opent de deur. Het is niet hetzelfde als door de deur stappen.

En die deur kan alleen de ander voor zichzelf openen.



De heldere momenten die hoop geven, maar zelden verandering brengen

Je kent het misschien. Midden in een patroon dat al maanden of jaren dezelfde pijn produceert, is er opeens een moment.

Hij zegt precies de woorden die je zo graag wil horen.

Zij huilt en lijkt eindelijk te begrijpen wat ze heeft aangericht.

Hij excuseert zich op een manier die oprecht klinkt.

Zij erkent, voor het eerst, hoe groot de schade is.


En in dat moment voel je hoe de hoop terugkomt.

Want dit bewijst toch dat hij het kan?

Dat zij het eindelijk begrijpt?


Wat er in zo'n moment gebeurt, is psychologisch gezien begrijpelijk en ook reëel. De ander maakt gebruik van cognitieve empathie: hij of zij begrijpt intellectueel wat jou is aangedaan. Dat is mogelijks geen toneel, geen bewuste manipulatie.

Het is een echte vorm van inzicht.


Maar cognitieve empathie is iets anders dan affectieve empathie, het daadwerkelijk voelen van andermans pijn (Ritter et al., 2011). En het is precies die affectieve empathie die gedragsverandering van binnenuit aandrijft.

Wie jouw pijn begrijpt maar niet voelt, ervaart weinig innerlijke druk om structureel anders te handelen.

Het moment is oprecht.

De motivatie die eruit volgt, is dat vaak niet.


Dat gevoel van hoop dat jij voelt is bovendien geen zwakte. Het is een begrijpelijke reactie op een mechanisme dat psychologen intermitterende bekrachtiging noemen, en het is één van de krachtigste gedragsprincipes die we kennen (Dutton & Painter, 1993).


Wanneer iets niet altijd, maar soms een beloning oplevert, wordt de motivatie om door te gaan juist sterker dan wanneer de beloning voorspelbaar is. Dat klinkt paradoxaal, maar het is goed gedocumenteerd. Gokmachines werken op hetzelfde principe: niet elke keer winnen, maar af en toe, onvoorspelbaar, net genoeg om door te blijven gaan.


In een relatie met iemand die overwegend kwetsend, controlerend of onverantwoordelijk is maar af en toe een helder moment heeft, werkt hetzelfde mechanisme. Die momenten zijn zeldzaam genoeg om bijzonder te voelen, maar frequent genoeg om de hoop levend te houden. Ze bewijzen bovendien iets wat technisch klopt: de ander kán het. Hij of zij heeft de capaciteit om anders te zijn.


Maar dat is precies het probleem.


Een helder moment bewijst capaciteit. Potentieel.

Het bewijst geen bereidheid.

Het bewijst geen structurele verandering.

Het is een momentopname, geen patroon.


Onderzoek naar traumabinding toont dat intermitterende bekrachtiging in combinatie met machtsongelijkheid een sterke emotionele gehechtheid kan creëren, ook in schadelijke relaties (Dutton & Painter, 1993; Herman, 1992).

Die gehechtheid is niet irrationeel. Ze is een begrijpelijke reactie op een situatie die het brein leert: volhouden loont soms.


Maar "soms" is niet genoeg voor een veilige relatie.

En een helder moment is geen verandering. Het is een moment.


De vraag die ertoe doet, is niet: kan hij of zij het?

Maar: doet hij of zij het, ook wanneer het hem of haar iets kost? Ook wanneer niemand kijkt? Ook wanneer jij geen druk uitoefent? Ook de dag daarna, en de week daarna, de maand erna en het jaar erna?



Bereidheid bepaalt alles

Onderzoek naar veranderbereidheid toont dat de fase waarin iemand zich bevindt bij de start van een veranderproces of therapie sterk samenhangt met de kans op uitkomst (Norcross et al., 2011).


Mensen die bereid zijn om eigen gedrag te onderzoeken en verantwoordelijkheid te nemen, halen gemiddeld meer uit therapie dan mensen die nog vooral in ontkenning of externalisatie zitten.


Maar misschien nog belangrijker is de vraag: wat bedoelt iemand met "veranderen"?


  • Wil iemand dat de gevolgen van zijn gedrag ophouden, of wil hij het gedrag zelf veranderen?

  • Wil iemand dat jij blijft of terugkeert, of wil hij begrijpen waarom jij afstand nam?

  • Wil iemand gewoon rust, of wil hij verantwoordelijkheid?

  • Wil iemand een ander resultaat, of ook een ander patroon?

  • Wil iemand dat het conflict stopt, of wil hij begrijpen wat hij daarin heeft aangericht?


Dat onderscheid maakt het verschil tussen tijdelijke aanpassing en fundamentele verandering. Tijdelijke aanpassing ziet er goed uit zolang de druk aanwezig is. Ze verdwijnt zodra de situatie stabiliseert en niemand nog let op de inspanning.


Dit principe geldt overigens even goed in een therapeutische context, en het verklaart ook waarom ik als therapeut op een bepaalde vraag altijd nee antwoord.


"Eva, mag ik mijn partner eens sturen? Misschien kan jij iets in beweging zetten."

Ik begrijp de vraag heel goed. Ze komt voort uit echte bezorgdheid en oprechte hoop.

Maar ook ik kan niemand van binnenuit veranderen.

Mijn werk bestaat erin mensen te begeleiden die zelf willen veranderen, en hen de tools te geven om dat proces te ondersteunen.

Wie door een ander gestuurd wordt, start vanuit gecontroleerde motivatie. En zoals onderzoek aantoont, is dat zelden de basis voor duurzame verandering.

Therapie werkt alleen wanneer de persoon die in de stoel zit, er zelf voor kiest.



Oude patronen zijn geen toeval

Wanneer gedrag jarenlang hetzelfde blijft, is er zelden sprake van onwetendheid.

Vaker gaat het om patronen die ooit een functie hadden: zichzelf beschermen, controle houden, schaamte vermijden, nabijheid regelen op een manier die vertrouwd voelt. Zelfs destructief gedrag heeft vaak een geschiedenis.


Twee voorbeelden maken dat concreet, en verduidelijken waarom verandering in deze gevallen zo uitzonderlijk moeilijk is.


Wanneer empathie ontbreekt

Empathie is niet voor iedereen even toegankelijk. Dat klinkt confronterend, maar het is belangrijk te begrijpen waarom.


Bij mensen die zelf vroeg trauma of verwaarlozing hebben meegemaakt, kan empathie aanwezig zijn maar chronisch onderdrukt worden als verdedigingsmechanisme.

Andermans pijn voelen is te bedreigend wanneer je je eigen pijn nooit hebt mogen voelen.

De capaciteit is er, maar wordt niet meer gebruikt.


Bij mensen met narcistische of antisociale persoonlijkheidskenmerken ziet empathie er anders uit. Bij deze groep is cognitieve empathie relatief intact, maar affectieve empathie structureel verminderd (Ritter et al., 2011).

Ze kunnen dus intellectueel begrijpen dat ze jou kwetsen, zonder dat te voelen.

Dat is geen bewuste keuze. Het is een diepgeworteld patroon, vaak geworteld in vroege hechtingservaringen.


Wat dit zo moeilijk veranderbaar maakt, is een bijkomende bevinding: mensen met narcistische trekken kunnen wél empatiseren wanneer ze er expliciet toe gestimuleerd worden, maar doen dat niet automatisch (Ritter et al., 2011).


Naast een capaciteitsprobleem speelt dus ook een motivationeel probleem.

Ze hoéven de pijn van de ander niet automatisch te registreren, en doen dat dus ook niet.

En wie de pijn van de ander niet voelt, ervaart ook weinig drang om zijn gedrag te veranderen.


Dit weten wekt soms hoop. "Als hij het kán wanneer hij ertoe gestimuleerd wordt, dan moet het toch mogelijk zijn?"

Maar die redenering mist een paar cruciale punten:

  1. Ten eerste zou het jouw taak blijven om die stimulans telkens opnieuw te geven, want de stimulans komt niet vanzelf en blijft niet structureel.

  2. Ten tweede verandert de capaciteit om op aansturen van jou een moment te empatiseren niets aan het onderliggende patroon: de affectieve empathie blijft structureel verminderd, de egosyntone rechtvaardiging blijft intact, en de innerlijke druk om te veranderen blijft afwezig.

  3. Onderzoek naar narcistische persoonlijkheidsstoornis toont bovendien dat dit patroon bijzonder therapieresistent is. Niet omdat verandering theoretisch onmogelijk is, maar omdat de stoornis zelf de bereidheid tot verandering ondermijnt: wie zijn eigen gedrag niet als problematisch ervaart, zoekt geen hulp, en wie hulp zoekt onder externe druk, haakt doorgaans vroegtijdig af (Ronningstam, 2011).


De eerlijke boodschap is dus niet dat verandering bij een narcistische partner uitgesloten is. De eerlijke boodschap is dat

  1. ze uitzonderlijk zeldzaam is,

  2. dat ze alleen kan komen van iemand die zelf, zonder druk van buitenaf, inziet dat er iets moet veranderen, en

  3. dat wachten op dat moment een hoge persoonlijke tol vraagt zonder enige garantie.


Wanneer controle een behoefte vervult

Dwingend controlerend gedrag is zelden willekeurig. Het vervult bijna altijd een psychologische functie, en soms meerdere tegelijk.


Bij mensen met een angstige hechtingsstijl is de relatie met anderen van jongs af aan gekleurd door onzekerheid: is de ander er wel voor mij? Blijft hij of zij? Kan ik erop vertrouwen dat nabijheid standhoudt?

Die grondhouding uit zich in relaties vaak als verlatingsangst: een intense, soms overweldigende angst dat de partner weggaat.

Hechtingsangst is het dieperliggende patroon, verlatingsangst is de meest pijnlijke uitdrukking ervan in de dagelijkse relatie. Wanneer die angst groot genoeg is, wordt controle over de partner een schijnoplossing: wie de ander controleert, kan niet verlaten worden. Controle is dan geen machtsstrategie maar een disfunctionele overlevingsstrategie. Kwetsbaar verbinding zoeken, dus eerlijk zeggen "ik ben bang je kwijt te raken", voelt te onveilig. De angst is te groot. Dus wordt zekerheid afgedwongen in plaats van gevraagd.


Bij mensen met een vermijdende hechtingsstijl werkt controle anders, maar is ze even beklemmend. Deze mensen hebben geleerd emotionele behoeften te onderdrukken en houden bewust afstand. Controle uit zich hier niet als vasthouden maar als het reguleren van nabijheid: de partner mag niet te dichtbij komen, niet te veel vragen, niet te veel nodig hebben.

Typische uitingsvormen zijn emotionele onthouding en het systematisch minimaliseren van de behoeften van de ander. "Jij bent te gevoelig." "Jij vraagt te veel." De boodschap is subtiel maar consequent: jouw behoeften zijn buitensporig, jouw emoties zijn het probleem.


De meest complexe en in onderzoek meest zorgwekkende variant is gedesorganiseerde hechting, die het sterkst gelinkt is aan coercive control en partnergeweld (Lyons-Ruth & Jacobvitz, 2008).

Deze mensen willen én vrezen gelijktijdig nabijheid, vaak als gevolg van vroeg trauma waarbij de hechtingsfiguur zelf de bron van angst was. Dat produceert een intern conflict dat niet oplosbaar is: toenadering triggert angst, afstand triggert paniek. Controle over de partner is dan een poging om dat ondraaglijke conflict te beheersen. Het gedragspatroon is vaak onvoorspelbaar en escalerend, wat het voor de partner bijzonder moeilijk maakt om grip te krijgen op wat er werkelijk gebeurt.


Hechtingsstijlen zijn diepgeworteld, maar ze zijn in principe niet onveranderbaar. Ze ontstaan vroeg, vaak vóór taal, en ze werken grotendeels buiten het bewuste denken. Precies daarom reikt een puur cognitieve aanpak, praten en inzichten verwerven, vaak niet ver genoeg. Ericksoniaanse hypnose kan in dat geval een waardevolle aanvulling zijn: door rechtstreeks toegang te krijgen tot onbewuste patronen en vroege ervaringen te herkaderen, kan ze iets bewegen wat via gesprek alleen moeilijk bereikbaar is.

Maar ook hier geldt de voorwaarde die door het hele artikel loopt: verandering is alleen mogelijk bij mensen die er zelf voor kiezen.

Ericksoniaanse hypnose werkt niet bij mensen die er onder druk van buitenaf naartoe komen, bij mensen die hun gedrag niet als problematisch ervaren, bij mensen die de controle over hun eigen innerlijk niet willen loslaten, ook al is dat maar tijdelijk en in een veilige context, of bij mensen die de therapeutische relatie gebruiken om bevestiging te zoeken in plaats van eerlijk onderzoek.

De techniek is een instrument. Hoe krachtig ook, ze kan niet in de plaats komen van de bereidheid om te veranderen. Die bereidheid moet, zoals steeds, van de persoon zelf komen.


Hechtingsangst, vermijding en gedesorganiseerde hechting zijn niet de enige drijfveren achter dwingend controlerend gedrag. Er zijn nog andere psychologische functies die controle in stand houden, en die minstens even hardnekkig zijn.


Bij schaamteregulatie wordt diepe, chronische schaamte beheerd door de ander in een lagere positie te houden. Zolang de partner minder lijkt, voelt de controleur meer. Controle beschermt hier tegen confrontatie met de eigen leegte.


Bij identiteitsregulatie is het zelfgevoel opgebouwd rondom macht en invloed. Wanneer de partner autonoom handelt, voelt dat als een bedreiging van wie de controleur is, niet alleen van wat hij doet.


Bij angstregulatie is onzekerheid zo ondraaglijk dat controle een illusie van veiligheid creëert. Minder onzekerheid over de ander betekent minder innerlijke angst.


Wat al deze functies gemeen hebben, is dit: het controlerende gedrag werkt voor de controlerende partner.

Het verlicht een interne spanning, al is dat op kosten van de ander.

En gedrag dat werkt, houdt zichzelf in stand.


Het cruciale probleem is dan ook niet dat de controlerende partner niet weet dat zijn gedrag schadelijk is. Het probleem is dat zijn gedrag voor hemzelf gerechtvaardigd voelt, zelfs liefdevol.


Psychologen noemen dit egosyntoon: het gedrag stemt overeen met het eigen zelfbeeld.

"Ik doe dit omdat ik van je hou."

"Als jij normaal deed, had ik dit niet nodig."


Het is het slachtoffer dat lijdt, niet de pleger. En wie zelf niet lijdt onder zijn eigen gedrag, voelt ook weinig of geen motivatie om het te veranderen.


Onderzoek naar programma's voor plegers van partnergeweld bevestigt dat beeld.

Een meta-analyse van Babcock, Green en Robie (2004) over de effectiviteit van plegertrajecten toonde aan dat het effect op recidive minimaal is, en dat de bereidheid om eigen gedrag als problematisch te zien structureel ontbreekt bij een groot deel van de deelnemers.


Dit maakt ook begrijpelijk waarom heldere momenten zo misleidend zijn.

Een moment van inzicht, hoe oprecht ook, verandert niets aan de onderliggende functie die het gedrag vervult.

Zolang controle angst verlicht, zolang het gebrek aan affectieve empathie nooit echt pijn doet van binnenuit, zolang het zelfbeeld intact blijft zonder verantwoordelijkheid te nemen: dan is er geen innerlijke druk die duurzame verandering in gang zet.


Meta-analytisch onderzoek toont dat psychologische interventies wel kunnen samenhangen met meetbare veranderingen in persoonlijkheidstrekken, ook bij volwassenen, over een gemiddelde behandelperiode van 24 weken (Roberts et al., 2017).

Maar dan gaat het over mensen die therapie zoeken, volhouden en zichzelf daarin eerlijk onderzoeken. Niet over mensen die verschijnen omdat de omgeving druk uitoefent, en vertrekken zodra die druk wegvalt.



Terugval is niet het probleem. De reactie op terugval wel.

Bijna iedereen die aan zichzelf werkt, valt ooit terug in oude patronen. Elk systeem is koppig.


Een systematische review over duurzame gedragsverandering toont dat terugval een normaal onderdeel is van een veranderproces (Kwasnicka et al., 2016).

Bovendien heeft onderzoek naar gewoontevorming aangetoond dat nieuw gedrag gemiddeld 66 dagen nodig heeft om een hoge mate van automatisme te bereiken, met grote variatie tussen personen en gedragingen (Lally et al., 2010).


Dat betekent echter niet dat elke terugval een nieuwe kans verdient.

En het betekent al helemaal niet dat jij verplicht bent om er 66 keer naast te staan.


Want terugval bij iemand die werkelijk verandert, ziet er anders uit dan terugval bij iemand die dat niet doet.


Het verschil zit niet in het vallen zelf. Het zit in wat er daarna gebeurt.


Wie werkelijk verandert, neemt verantwoordelijkheid zonder dat jij erom moet vragen. Hij erkent concreet wat hij deed en welke schade dat aanrichtte, niet vaag, niet met "als jij je gekwetst voelde dan spijt me dat."

Hij zoekt zelf hulp of onderzoekt eerlijk wat hem triggerde.

Hij verwacht niet dat jouw vertrouwen automatisch herstelt.

En hij begrijpt dat herstel van vertrouwen tijd kost, en legt die verantwoordelijkheid niet bij jou.


Wie niet werkelijk verandert, doet iets anders na een terugval.

Hij minimaliseert: "het was niet zo erg."

Hij ontkent: "dat heb ik nooit gezegd."

Hij projecteert: "jij provoceerde me."

Hij beschuldigt: "als jij anders was, had ik dit niet nodig."

Of hij biedt een uitgebreide verontschuldiging aan die vooral bedoeld is om de situatie snel te normaliseren, waarna het patroon zich herhaalt.


Dat laatste mechanisme is verraderlijk, omdat het op echte verantwoordelijkheid lijkt.

Een geëmotioneerde verontschuldiging, de juiste woorden, zichtbare spijt.

Maar zoals eerder beschreven is dit cognitieve empathie zonder affectieve empathie: begrijpen zonder voelen, en daardoor veranderen zonder de innerlijke druk die verandering duurzaam maakt.


De vraag die jij jezelf na een terugval van de ander kunt stellen, is daarom niet: "verdient hij een zoveelste tweede kans?" Want die vraag maakt jou verantwoordelijk voor zijn veranderproces.

De scherpere vraag is: "wat zie ik in het patroon over de tijd, niet in dit ene moment?"


Duurzame verandering wordt niet bewezen door nooit meer te vallen.

Ze is zichtbaar in wat iemand doet nadat hij gevallen is.

En ze is zichtbaar in of dat patroon, over weken en maanden, werkelijk verschuift.

Niet in woorden. In gedrag.



Kijk zonder roze bril, en stel jezelf de juiste vragen

Hoop is menselijk. Maar hoop zonder eerlijkheid tegenover jezelf wordt een val.

Na een zoveelste tweede kans, een zoveelste helder moment, een zoveelste belofte die niet werd omgezet in duurzaam gedrag, is het tijd om zonder roze bril naar de relatie te kijken. Niet met cynisme. Niet met bitterheid. Maar met de eerlijkheid die je ook een goede vriend zou gunnen die jou zijn situatie beschreef.


Wat zie je als je kijkt naar het patroon over de tijd, niet naar de uitzonderingen?

Wat zie je als je niet luistert naar wat er gezegd wordt, maar kijkt naar wat er gedaan wordt?


Twee mechanismen maken dat eerlijke kijken extra moeilijk, en het helpt om ze bij naam te kennen.

  1. Het eerste is de psychologie van gezonken kosten. Hoe meer tijd, energie, liefde en pijn je al in een relatie hebt geïnvesteerd, hoe moeilijker het wordt om los te laten, ook als de situatie weinig perspectief meer biedt. "Ik heb er al zoveel in gestoken" is een begrijpelijk gevoel, maar het is geen reden om door te gaan. Verleden investeringen veranderen niets aan de vraag die telt: wat levert verdergaan jou op, vanaf nu?

  2. Het tweede is cognitieve dissonantie. Wanneer wat je weet en wat je wil geloven met elkaar in conflict komen, zoekt het brein een uitweg. Die uitweg is zelden vertrekken. Vaker is het de situatie opnieuw interpreteren op een manier die de hoop levend houdt. Een helder moment past perfect in die behoefte: het bevestigt de versie van de ander die je graag wil zien, en verlicht tijdelijk de spanning tussen weten en hopen.


Dat eerlijke kijken doet soms pijn. Maar het is ook het begin van helderheid.


Een nuttig hulpmiddel daarbij is de vraag naar je eigen basisbehoeften.

Het Human Givens Institute, een Britse onderzoeks- en opleidingsorganisatie op het gebied van mentale gezondheid, beschrijft negen fundamentele behoeften die mensen nodig hebben om psychologisch gezond te functioneren (Griffin & Tyrrell, 2003):

  1. Veiligheid en zekerheid

  2. Aandacht, zowel geven als ontvangen

  3. Autonomie en controle

  4. Status, gewaardeerd worden in sociale groepen

  5. Privacy, jezelf kunnen onttrekken aan stressoren

  6. Verbinding met een bredere gemeenschap

  7. Emotionele intimiteit

  8. Competentie en prestatie

  9. Betekenis en doel


Dit zijn geen luxebehoeften.

Het zijn menselijke basisbehoeften, even reëel als fysieke behoeften zoals slaap of voeding. Wanneer ze structureel onvervuld blijven, heeft dat gevolgen voor je mentale en emotioneel welzijn.


Bekijk ze eerlijk. Welke van deze behoeften worden in jouw situatie structureel niet vervuld? Al lange tijd? Ondanks alles wat je hebt geprobeerd?


Die vraag is geen aanklacht tegen de ander.

Het is een uitnodiging aan jezelf om te zien wat er werkelijk gebeurt.


Daarbij kan het helpen om voor jezelf een interne deadline te stellen.

Niet als dreigement naar de ander, niet als drukmiddel, want verandering onder druk is zelden duurzaam, zoals eerder beschreven, maar als persoonlijk ankerpunt.


Een moment in de toekomst waarop jij voor jezelf eerlijk nagaat: is er iets wezenlijk veranderd?

Niet in woorden, maar in gedrag.

Niet in heldere momenten, maar in het patroon.


Die deadline is geen ultimatum. Het is een daad van zelfzorg. Een manier om jezelf niet eindeloos te laten wachten op een trein die misschien niet komt.


Voor jezelf zorgen is niet egoïstisch. Het is de meest fundamentele verantwoordelijkheid die je hebt. En het begint met eerlijk zien wat je nodig hebt, en eerlijk erkennen of dat al dan niet vervuld wordt in de situatie waarin je je nu bevindt.



De kern, voor wie hem wil zien

Duurzame verandering vraagt minstens vier bewegingen, en die kunnen alleen van binnenuit komen.

  1. Eerst moet iemand kunnen, willen en durven kijken naar zichzelf. Niet alleen naar de pijn, maar ook naar het eigen aandeel in patronen.

  2. Daarna moet dat inzicht worden omgezet in actie. Niet alleen begrijpen, maar anders doen, ook wanneer het ongemakkelijk voelt.

  3. Vervolgens moet nieuw gedrag herhaald worden in echte situaties, juist wanneer het moeilijk wordt.

  4. En ten slotte moet die verandering onderhouden worden op lange termijn, ook wanneer de crisis voorbij is en niemand nog applaudisseert voor de inspanning.


Dat is waarom fundamentele verandering zeldzamer is dan goede voornemens.

Niet omdat mensen niet kunnen veranderen, maar omdat echte verandering veel vraagt: moed, eerlijkheid, oefening en volgehouden verantwoordelijkheid.

Een mens kan veranderen. Maar niemand kan hem in zijn plaats veranderen.

En jij bent een mens. Neem even de tijd om dat te laten landen.


Soms is dat het moeilijkste om te horen. Maar het is ook het begin van iets nieuws.



Wat blijft er dan over voor jou?

Als jij de ander niet kunt veranderen, wat doe je dan met alles wat je voelt?

Met de hoop die steeds opnieuw oplaait en steeds opnieuw teleurgesteld wordt?

Met de uitputting van iemand die al zo lang probeert, uitlegt, wacht en hoopt. Met de boosheid op jezelf omdat je het nog steeds niet loslaat?

Met het verdriet om wat het had kunnen zijn?


Dat zijn geen kleine gevoelens. Ze zijn het bewijs van hoeveel je gegeven hebt.


Maar op een bepaald moment verschuift de vraag.

Niet meer: hoe zorg ik dat de ander verandert?

Maar: wat doe ik nu met mijn eigen leven?

Dat is geen opgave. Het is een bevrijding.


Je hoeft niet langer te wachten op iemand die misschien nooit de stap zet.

Je hoeft je energie niet langer te investeren waar ze niets oplevert.

Je mag beslissen wat jíj doet, ongeacht wat de ander kiest.

Je mag grenzen stellen, niet om de ander te veranderen, maar omdat jij bescherming verdient.

Je mag stoppen met uitleggen aan iemand die je boodschap niet ontvangt.

Je mag jezelf toestemming geven om vooruit te gaan.


Dat is het verschil tussen hopen op iemand anders en investeren in jezelf.


Als je merkt dat je vastloopt, dat je dezelfde gedachten blijft draaien, dezelfde hoop blijft voelen, dezelfde pijn blijft dragen zonder dat er iets verschuift: dan is dit het moment om hulp te vragen.

Niet omdat je het alleen niet kunt. Maar omdat je het niet alleen hoeft te doen.


Ik help mensen die vastlopen in precies deze situaties. Mensen die al lang wachten, die veel hebben geprobeerd, en die klaar zijn om de energie die ze in de ander hebben gestoken, nu in zichzelf te investeren.


Als jij je daarin herkent, ben ik er ook voor jou.


Neem gerust contact op voor een vrijblijvend kennismakingsgesprek.




Bronnen

  • Babcock, J. C., Green, C. E., & Robie, C. (2004). Does batterers' treatment work? A meta-analytic review of domestic violence treatment. Clinical Psychology Review, 23(8), 1023-1053.

  • Brehm, J. W. (1966). A theory of psychological reactance. Academic Press.

  • Deci, E. L., & Ryan, R. M. (2000). The "what" and "why" of goal pursuits: Human needs and the self-determination of behavior. Psychological Inquiry, 11(4), 227-268.

  • Dutton, D. G., & Painter, S. (1993). Emotional attachments in abusive relationships: A test of traumatic bonding theory. Violence and Victims, 8(2), 105-120.

  • Griffin, J., & Tyrrell, I. (2003). Human givens: A new approach to emotional health and clear thinking. HG Publishing.

  • Herman, J. L. (1992). Trauma and recovery. Basic Books.

  • Jennissen, S., Huber, J., Ehrenthal, J. C., Schauenburg, H., & Dinger, U. (2018). Association between insight and outcome of psychotherapy: Systematic review and meta-analysis. The American Journal of Psychiatry, 175(10), 961-969.

  • Kwasnicka, D., Dombrowski, S. U., White, M., & Sniehotta, F. (2016). Theoretical explanations for maintenance of behaviour change: A systematic review of behaviour theories. Health Psychology Review, 10(3), 277-296.

  • Lally, P., van Jaarsveld, C. H. M., Potts, H. W. W., & Wardle, J. (2010). How are habits formed: Modelling habit formation in the real world. European Journal of Social Psychology, 40(6), 998-1009.

  • Lyons-Ruth, K., & Jacobvitz, D. (2008). Attachment disorganization: Genetic factors, parenting contexts, and developmental transformation from infancy to adulthood. In J. Cassidy & P. R. Shaver (Eds.), Handbook of attachment: Theory, research, and clinical applications (2nd ed., pp. 666-697). Guilford Press.

  • Norcross, J. C., Krebs, P. M., & Prochaska, J. O. (2011). Stages of change. Journal of Clinical Psychology, 67(2), 143-154.

  • Ritter, K., Dziobek, I., Preissler, S., Rüter, A., Vater, A., Fydrich, T., Lammers, C. H., Heekeren, H. R., & Roepke, S. (2011). Lack of empathy in patients with narcissistic personality disorder. Psychiatry Research, 187(1-2), 241-247.

  • Roberts, B. W., Luo, J., Briley, D. A., Chow, P. I., Su, R., & Hill, P. L. (2017). A systematic review of personality trait change through intervention. Psychological Bulletin, 143(2), 117-141.

  • Ronningstam, E. (2011). Narcissistic personality disorder: A clinical perspective. Journal of Psychiatric Practice, 17(2), 89-99.



Schrijf je in op de spamvrije e-mail lijst

Wat krijg je in je inbox? Om de zoveel tijd stuur ik je een mail met iets wat ik bedacht, las of leerde: een nieuw blogartikel, een tip uit de praktijk, soms een uitnodiging voor een webinar. Niets meer, niets minder. Je kan op eender welk moment uitschrijven.

Praktijk Elpida - Eva Verween

Praktijkadres:

Jan De Lichte 24, 9090 Merelbeke-Melle

BTW-nummer: BE0743842124

Werkgebied: Melle bij Gent, Merelbeke-Melle, Vlaanderen (Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Antwerpen, Vlaams-Brabant, Limburg), Brussel, Nederland en eender waar je Nederlandstalig bent.

©Eva Verween - Alle rechten voorbehouden

bottom of page